Een tijd geleden kwam ik een vluchteling tegen in Duitsland die mij het volgende verhaal vertelde over integratie. “Probeer niet zo ruimdenkend te lijken dat je jezelf verliest.”
In mijn eerste jaar in Duitsland, nadat ik het vluchtelingenkamp had verlaten en voor het eerst woonde in een echt huis — met een voordeur, een keuken en buren van wie ik de namen nog niet kende — besloot ik aan het belangrijkste project van het leven van iedere nieuwkomer te beginnen:
Integratie – je hoeft geen kopie te worden
Destijds dacht ik dat integratie betekende dat ik perfect Duits moest spreken, moest lachen om dezelfde grappen als Duitsers, hun mysterieuze brood moest leren waarderen en eindelijk moest begrijpen waarom ze netjes in de rij bleven staan, zelfs wanneer er niets leek te zijn waarvoor het de moeite waard was om te wachten.
Later ontdekte ik dat echte integratie veel eenvoudiger is.
Je hoeft geen goedkope kopie van een ander volk te worden. Het is voldoende als je na tien uur ’s avonds geen lawaai maakt voor de buren en je afval op zo’n manier sorteert dat zelfs de wereld van de atomen overzichtelijk lijkt.
Maar mijn weg was anders
Op een dag zat ik alleen in een klein café in het dorp. Ik dronk mijn koffie en observeerde de mensen om mij heen. Ik probeerde eruit te zien als iemand die daar al jaren thuishoorde, niet als een vluchteling die nog steeds op zijn telefoon moest opzoeken wat het verschil was tussen een rekening en een boete.
Toen kwam een jonge Duitser naar me toe en begon een gesprek.
“Waar kom je vandaan?”
Hij stelde de vragen die iedere nieuwkomer vroeg of laat krijgt:
“Waar kom je vandaan? Hoe heet je? Hoe lang ben je hier al? En bevalt Duitsland je?”
Vooral die laatste vraag is ingewikkeld. Daar heb je soms eerder een advocaat dan een vertaler voor nodig.
Ik antwoordde in mijn gebroken Duits — een soort Duits dat meer geduld nodig had dan grammaticale kennis. Ik begon een zin, stopte halverwege om het juiste werkwoord te vinden, terwijl dat werkwoord in een Duitse zin natuurlijk helemaal achteraan stond te wachten alsof het plezier had in mijn worsteling.
Toch bleef hij aandachtig luisteren.
Ik dacht bij mezelf:
Waarom zou een gewone Duitse jongen tegenover mij gaan zitten, luisteren naar mijn gestamel en proberen te begrijpen wat ik stukje voor stukje uit mijn mond krijg?
Misschien was hij gewoon een goed mens.
Maar zoals mensen vaak doen wanneer ze een antwoord niet kennen, bedacht ik een ingewikkelder verhaal.
Ik overtuigde mezelf ervan dat hij misschien bij de regenboogbeweging hoorde en dat zijn interesse in mij niet zomaar onschuldig kon zijn.
Wanneer we de ware reden achter iets niet begrijpen, verzinnen we soms een verhaal dat ons beter lijkt te passen. En vervolgens geloven we erin.
Regelmatig contact
We wisselden telefoonnummers uit. Daarna begon ons contact regelmatig te worden. Hij stuurde berichten, vroeg hoe het met me ging en stelde voor om samen af te spreken of nieuwe plekken te ontdekken.
Langzaam begreep ik dat hij werkelijk geïnteresseerd was in vriendschap.
Dat is bijzonder, vooral wanneer je een nieuwkomer bent zonder goede taalkennis, zonder auto en zonder veel verhalen die verder gaan dan afspraken bij overheidskantoren en gesprekken met de immigratiedienst.
Op een dag nodigde hij me uit in een café in de stad.
We gingen zitten. De ober kwam naar ons toe en vroeg wat we wilden drinken.
Ik was toen nog jong van geest, ook al beweerde mijn paspoort iets anders. Ik wilde graag dat mijn Duitse vriend mij zag als iemand die open, modern en vrij was. Iemand die niet gevangen zat in oude gewoonten en niet bang was voor verschillen.
Zonder woorden wilde ik eigenlijk zeggen:
“Kijk, ik ben een moderne immigrant. Ik ben bijna Duits. Het enige wat nog ontbreekt, is dat ik sandalen met sokken ga dragen.”
Ik had nog nooit alcohol gedronken en wist niet hoe bier smaakte. Ik begreep ook niet waarom mensen geld betaalden voor iets waardoor ze zich de volgende dag voelden alsof ze door een vrachtwagen waren geraakt.
Maar om een reden die ik zelf nog steeds niet helemaal begrijp, bestelde ik een bier.
Mijn vriend keek verbaasd en bestelde voor zichzelf een koffie.
Het beeld was bijna komisch:
De moslim bestelde bier.
De Duitser bestelde koffie.
Alleen de ober leek geen enkel probleem te zien.
Toen de ober was weggelopen, keek mijn vriend me even aan en vroeg:
“Ben jij geen moslim?”
“Ben jij geen moslim?”
Het was een simpele vraag, maar hij raakte me diep.
Ik aarzelde en zei:
“Ja… ik ben moslim.”
Hij vroeg:
“Is alcohol in jouw cultuur dan niet verboden?”
“Het was alsof het hele café wachtte op mijn antwoord”
Plots voelde de tafel kleiner. Alsof het hele café wachtte op mijn antwoord.
Ik zei:
“Dat klopt. Het is verboden… en eigenlijk drink ik helemaal niet. Dit is mijn eerste keer.”
Ik weet niet waarom ik het zei met een vleugje trots, alsof mijn eerste misstap een bijzondere prestatie was waarvoor ik een prijs verdiende.
Hij knikte alleen.
Even later kwam het bier.
Ik nam een slok.
Het smaakte verschrikkelijk. Niet gewoon een beetje vies, maar op zo’n manier dat je je afvraagt hoe de mensheid duizenden jaren lang heeft kunnen besluiten dat dit een goed idee was.
Toch dronk ik verder.
Toegeven dat ik iets had besteld wat ik niet lekker vond, voelde moeilijker dan het gewoon opdrinken.
We praatten over andere dingen en de middag eindigde.
Daarna zagen we elkaar ongeveer iedere week.
We reden samen naar verschillende plaatsen. Hij liet mij steden, meren en dorpjes zien. Ik liet hem mijn bijzondere talent zien om Duitse straatnamen uit te spreken op een manier waarop niemand nog wist welke straat ik bedoelde.
Op een dag nodigde hij mij bij hem thuis uit.
“Het was de Koran”
Toen ik binnenkwam, viel mijn oog meteen op een boek dat een opvallende plek in de kamer had gekregen.
Ik liep ernaartoe.
Het was de Koran, vertaald in het Duits.
Ik keek naar de kaft en sloeg het boek open.
Voor de zekerheid dacht ik:
Misschien is het wel een boek over autoreparatie met een Koran-omslag.
Maar nee.
Het was werkelijk de Koran.
Ik dacht:
Misschien is hij moslim.
Toen herinnerde ik me zijn Duitse naam. Maar namen bepalen niet wie naar de hemel of de hel gaat. Wij mensen geven namen vaak meer betekenis dan ze werkelijk hebben.
Hij kwam uit de keuken met twee glazen sinaasappelsap en zette ze voor ons neer.
Met een glimlach zei hij:
“Sorry, ik weet dat jij van bier houdt, maar ik heb geen bier in huis.”
Die woorden kwamen hard aan.
Ik had één keer bier gedronken om ruimdenkend over te komen, en in zijn ogen was ik nu de moslim geworden die van bier hield.
Snel probeerde ik van onderwerp te veranderen.
“Lees jij de Koran?”
Hij antwoordde rustig:
“Ja. Ik probeer de islam te begrijpen.”
Ik weet niet waarom ik mij zo schaamde.
Hij had mij niet veroordeeld. Hij had mij niet uitgelachen. En hij had mij geen slechte moslim genoemd.
Maar daar zat een Duitser die geen moslim was, die de Koran las om mijn geloof beter te begrijpen, terwijl ik als moslim probeerde mijn openheid te bewijzen met een glas bier dat ik niet eens lekker vond.
Ik ging eerder weg.
Ik zei dat ik een afspraak had.
Maar de enige afspraak die ik werkelijk had, was een dringende ontmoeting met mijn eigen geweten.
Dagen gingen voorbij voordat ik hem weer zag.
Op een vrijdag besloot ik om naar de moskee te gaan.
Ik trok mijn schoenen uit en liep naar binnen.
“Daar zag ik hem”
Daar zag ik hem.
Hij zat vooraan.
Eerst dacht ik dat ik mij vergiste. Maar toen draaide hij zich om en glimlachte.
Hij was het.
De jonge Duitser uit het café. De man van wie ik dacht dat hij iets anders wilde. De man die koffie had besteld terwijl ik bier bestelde.
Later hoorde ik dat hij zich tot de islam had bekeerd.
Pas toen begreep ik het hele verhaal.
Hij had mij niet benaderd omdat hij iets vreemds van mij wilde. Hij was op zoek naar de islam.
Misschien dacht hij dat de moslim die hij in het café had ontmoet hem daarbij kon helpen.
Maar hij vond iemand die zelf niet wist hoe hij gewoon zichzelf moest zijn. Iemand die voor een paar minuten probeerde iemand anders te worden — en er zelfs niet in slaagde het juiste drankje te kiezen.
Ik keek naar hem in de moskee.
Daarna keek ik naar mezelf.
En ik dankte God.
Ja, ik dankte Hem omdat ik die dag bier had besteld en geen koffie.
Want als ik koffie had besteld, had hij misschien gedacht dat ik een voorbeeldige moslim was. Misschien had hij zich aan mij vastgehouden in plaats van zelf verder te zoeken. Misschien had hij de islam verward met mij.
“De islam is één ding, moslim zijn iets anders”
Maar dat glas bier liet hem iets belangrijks zien:
De islam is één ding.
Moslim zijn iets anders.
Want waarheid wordt niet altijd zichtbaar door de mensen die erover spreken. Soms zijn het juist mensen die fouten maken die anderen laten zien waar de waarheid werkelijk ligt.
Hij vond de islam zonder mijn hulp.
Misschien zelfs ondanks mij.
En ik, die mijn hele leven met de islam was opgegroeid, had een jonge Duitser, een kop koffie en een glas bier nodig om mijn geloof opnieuw te ontdekken.
Sinds die dag heb ik een eenvoudige les geleerd:
Probeer niet zo ruimdenkend te lijken dat je jezelf verliest.
En veroordeel mensen niet te snel wanneer ze je benaderen. Misschien zijn zij op zoek naar God, terwijl jij denkt dat ze alleen naar jou op zoek zijn.
En misschien wel de belangrijkste les:
Als je in een café niet weet wat je moet bestellen…
Bestel sinaasappelsap.
Hoofdafb. Flickr.com


















